De toekomst van werken: een wenkend perspectief?

Ik maak me zorgen. Zorgen over de tijd ná corona. Ik realiseer me dat dit toch best wel gek klinkt. De meeste mensen snakken naar de tijd ná corona. Een tijd waarin alles weer kan en mag. Het eindelijk weer eens leuk wordt en we dingen kunnen beleven. En begrijp me niet verkeerd, daar heb ik ook ont-zet-tend veel zin in. Ik bedoel eerder de wérktijd na corona. De grote vraag die me bezighoudt: vind ik mijn baan straks nog wel leuk?

Laten we wel wezen. De huidige kantoorbaan is niet bepaald leuk te noemen. Sterker nog, het is ronduit SAAI! Maar, nu de vaccinatie-operatie langzaam maar zeker op gang komt ontstaat er perspectief. En daarmee is er een start gemaakt met nadenken over de toekomst van werken. De verwachtingen rondom deze toekomst zijn hooggespannen. In deze toekomst moet het beste van beide werelden, de wereld vóór en na corona, samenkomen. Dat betekent: niet meer met z’n allen tussen 8 en 9 op ons werk proberen te komen, waardoor we in lange files komen te staan en noodgedwongen in opgepropte treinen zitten. Niet meer proberen gefocust te werken in een kantoortuin, waarvan inmiddels duizenden onderzoeken hebben aangetoond dat je van alles kunt in een kantoortuin, behalve gefocust werken. Maar ook: niet meer dagenlang achter een scherm zitten staren naar pixels die je collega’s moeten voorstellen die iets proberen te zeggen terwijl ze op mute staan. Niet meer eenzaam je eigen bakje koffie halen, maar weer effe lekker ouderwets ouwehoeren bij de gezamenlijke koffieautomaat. Hoe gaan we dat doen?

Het kantoor als clubhuis

Er lijkt al een voorzichtig antwoord geformuleerd te worden. Het kantoor wordt omgebouwd tot clubhuis. Een plek waar we kunnen ontmoeten, samenwerken en brainstormen. Groene ruimtes, gezellige zitjes. En al naar gelang de rijkdom van het bedrijf ook maar meteen een yogastudio, een ruimte met mediatiekussentjes en een clubmonk die af en toe op een gong slaat. Een boksbal om de frustratie kwijt te raken, een voetbaltafel om de gezonde intercollegiale competitie aan te wakkeren en een bar-dancing, omdat gebleken is dat niets beter is voor de teambuilding dan samen dronken worden met je collega’s en in de lampen te hangen.

Dat klinkt toch werkelijk fantastisch! En toch maak ik me zorgen. Want hoe gaan we die ontmoeting vormgeven?  Net nu we zo gewend zijn geraakt aan onze individuele vrijheid. De vrijheid om tussen alle vergaderingen door even boodschapjes te doen, een hardlooprondje te maken, een opvoedkundig gesprek met het kind te voeren en stomende after-lunch seks te hebben om de relatie goed te houden. Dat willen we eigenlijk niet opgeven. Daarnaast zijn we tot het besef gekomen dat heel veel zaken vele malen efficiënter kunnen. Reistijd is overbodig. Veel vergaderingen kunnen online prima afgewerkt worden en als we stukken moeten schrijven zijn we thuis vele malen productiever dan op kantoor.

De dreiging van individualisme en efficiency-denken

En dat is het. Individualisme en efficiency-denken zijn wat mij betreft de grootste bedreigingen van de toekomst van werken. Als er één ding is wat we nu zo vreselijk missen, is het wel de verbinding. Verbinding met collega’s zónder dat er een scherm tussen zit. Vragen aan iemand hoe het met hem gaat en aan de tranen in zijn ogen kunnen zien dat het niet goed is. Niet alleen door het logo op de salarisstrook herinnerd te worden dat we onderdeel uitmaken van een organisatie, maar ons daadwerkelijk onderdeel vóelen van die organisatie.

Voor die verbinding is contact nodig, fysieke aanwezigheid, de spontane ontmoeting. Dat laat zich niet ze makkelijk organiseren. Stel dat het inderdaad lukt om elkaar als team een dag in de week, of twee dagdelen verspreid over de week te ontmoeten. Dat zou tof zijn. Maar de collega’s van de andere afdelingen of de andere teams komen we niet automatisch tegen, omdat die misschien weer andere vaste dagdelen afgesproken hebben. Daarnaast zullen we alsnog een groot deel van de tijd alleen moeten werken. En daarmee ook elke keer weer de motivatie en zingeving uit onszelf moeten halen. De productiviteit op gang moeten houden door de werk-privébalans in het oog te houden. De lunchwandeling als beweging forceren in het kader van de gezondheid. Zelf het werkritme vasthouden zonder meegenomen te worden in het voelbare en zichtbare werkritme van je collega’s om je heen. We zullen tijdig zélf moeten aangeven wanneer het even niet gaat, omdat de ander de blik in onze ogen op afstand niet kan lezen.

Activiteiten ter bevordering van verbinding en ons oefenen in kwetsbaarheid

Om die verbinding daadwerkelijk mogelijk te maken, zullen we een stukje individuele vrijheid en efficiency-denken moeten opgeven. Daarnaast zullen we ook in een breder verband dan het eigen team dingen moeten ondernemen met elkaar. Ik denk dan toch aan zaken als de geforceerd aandoende speech van de directeur tijdens een nieuwjaarsreceptie. Niet die speech an sich, maar de blikken van verstandhouding die we als collega’s onderling wisselen is daarbij het verbindende element. Daarnaast het organiseren van diverse afdelingsoverstijgende ‘tijdrovende’ activiteiten zoals een sportdag, vrijwilligerswerk, skiweekend en een Socialrun.
En last but nog least: we moeten nóg veel bewuster stilstaan bij wat er nodig is om fijn samen te kunnen werken op afstand. We moeten noodgedwongen leren om kwetsbaarheid veel directer bespreekbaar te maken en om kunnen gaan met kwetsbaarheid op het moment dat iemand het toont. Dat zit zeker nog niet in elke bedrijfscultuur ingebakken.

Zaken als verbinding en zingeving halen uit een gezamenlijke missie zijn voor mij de redenen waarom het waardevol is om bij een organisatie te werken. Anders voelt het toch vooral alsof je een verkapte zzp’er bent, zonder de lusten en met de lasten. Is het werken in het post-coronatijdperk een wenkend perspectief? De toekomst zal het leren.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *